CRKBO

Reactie op de kritiek over het onderzoek  ‘Jongeren lijden aan Social Media Stress’ van de Nationale Academie voor Media en Maatschappij

Het onderzoek  ‘Jongeren lijden aan Social Media Stress’ van de Nationale Academie voor Media en Maatschappij heeft heftige reacties losgemaakt, zowel in de kranten als op enkele blogsites. Inhoudelijke kritiek juichen wij toe en wij zijn blij met de discussie. Het blijkt dat de boodschap – er is naast alle gunstige factoren ook een problematische kant aan sociale media, dus laten we daar wat mee doen – erg gevoelig ligt. Die heftige ontvangst is ook merkbaar bij vergelijkbare buitenlandse publicaties waarop ons onderzoek voortborduurt, zoals Alone Together van Sherry Turkle en het onderzoeksrapport Millennials will benefit and suffer due to their hyperconnected lives van PEW Research. Hieruit blijkt volgens ons alleen maar het belang van de boodschap.

Naast de vele positieve reacties heeft het onderzoek ook kritiek gekregen, voornamelijk via enkele blogsites. Er zijn 2 soorten kritiek: op de onderzoekmethode en op de vermeende commerciële belangen van de afzender, de Nationale Academie voor Media en Maatschappij. Op beide gaan we hier in.

1. De onderzoeksmethode

De centrale onderzoeksvraag van het onderzoek is duidelijk; hoe ervaren jongeren in het bezit van een smartphone met internetverbinding hun eigen sociale media gedrag. De intensiteit van het gebruik van de sociale media door de respondenten is aangegeven;  de stellingen zijn uitsluitend voorgelegd aan jongeren die minimaal wekelijks actief zijn op één of meerdere van de meest gebruikte sociale media in Nederland. Dit eerste onderzoek naar de beleving door jongeren van de invloed van sociale media in hun leven geeft inzicht  in een nieuw maatschappelijk fenomeen. Niet meer en niet minder.

De Nationale Academie voor Media en Maatschappij verkeert in de gelukkige omstandigheid te beschikken over een netwerk van meer dan 850 actieve jeugdprofessionals. Voor het onderzoek zijn allereerst 15 onderwijsprofessionals, geselecteerd naar type schoolinstelling en geografische ligging, gevraagd mee te werken aan het kwalitatieve onderzoek, dat uiteindelijk bestond uit  9 groepsgesprekken met in totaal 85 jongeren van 13 tot en met 17 jaar, met net iets meer meiden (44) dan jongens (41). Het thema van het onderzoek is vooraf niet kenbaar gemaakt aan de professionals en de jongeren. De kritiek dat de resultaten van groepsgesprekken gekleurd worden door het groepsproces wijzen wij af omdat het namelijk sterk afhangt van de doelstelling van de groepsgesprekken of dit een relevant probleem is.  De doelstelling van deze groepsgesprekken was het komen tot een aantal stellingen over het gebruik van Sociale Media, gebaseerd op de belevingswereld en taalgebruik van de jongeren. Het is nooit de bedoeling geweest het kwalitatieve onderzoek apart te rapporteren, het stond volledig in dienst van de inhoudelijke opzet van het kwantitatieve onderzoek.

Daarna is met grote zorgvuldigheid de lijst met stellingen opgesteld, gebaseerd op de inhoud van de groepsgesprekken met jongeren. De opbouw van de vragenlijst, waarvoor bewust een eenvoudige en voor jongeren een overzichtelijke 3-punts schaal is gekozen, is persoonlijk getest met een groep van 20 jongeren, die via 2 onderwijsprofessionals zijn uitgenodigd mee te werken. Daarbij waren de maatstaven dat de jongeren zichzelf in de stellingen herkenden, de volgorde van de stellingen logisch en het taalgebruik juist was en zij de stellingen eenduidig interpreteerden en begrepen.

Daarna is de vragenlijst online uitgezet onder 493 jongeren, zoals duidelijk vermeld in de rapportage. Het is niet een pop-up  op websites of een email geweest die naar willekeurige jongeren is gestuurd, dus de reactie van iemand dat hij als 45 jarige de vragenlijst ‘op een of ander manier voor zich kreeg’ is gewoonweg feitelijk onjuist. Deze 493 willekeurige jongeren zijn namelijk wederom uitgenodigd via 25 jeugd professionals die zorgvuldig zijn geselecteerd op basis van een spreiding naar geografische ligging en onderwijstype, waarbij de landelijke CBS cijfers zijn gehanteerd als leidraad. Wederom werd het thema van het onderzoek vooraf niet kenbaar gemaakt aan professionals en jongeren. Iedere instelling kreeg een eigen link naar de vragenlijst en uiteindelijk hebben er gemiddeld 20 jongeren per instelling meegewerkt aan het onderzoek. Er is daarna nog een lichte correctie/weging naar geslacht toegepast op de resultaten, wederom op basis van de meest recente landelijke CBS cijfers.

Over de interpretatie van de resultaten kunnen wij kort zijn. Door de eenvoudige, maar betrouwbare opzet van het onderzoek kan eenieder zijn eigen conclusies trekken. Wij hebben ervoor gekozen de helft van de jongeren die wel degelijk in meer of mindere mate last heeft van de Sociale Media in de conclusies te benadrukken, terwijl het ook mogelijk was geweest te kiezen om juist de andere helft onder de aandacht te brengen. Verder bestaat het rapport uit een zuivere weergave van de beleving van jongeren van hun sociale media gedrag. Nogmaals, lees het rapport en trek je eigen conclusies.

In de onderzoekrapportage claimen wij geen moment dat dit onderzoek is opgezet als zwaar wetenschappelijk onderzoek, waarbij bijvoorbeeld wetenschappelijke definities van stressbeleving worden getest of waar wetenschappelijke bewerkingen zijn toegepast op de reacties van jongeren op de stellingen. Wij hebben de jongeren op zorgvuldige wijze aan het woord gelaten vanuit hun eigen beleving van de sociale media en geven deze gewoonweg weer in de rapportage. Wij zijn ons zeer bewust van de tekortkomingen van het onderzoek en geven in de rapportage zelf aanbevelingen voor vervolgonderzoek, maar dat neemt niet weg dat wij vierkant achter de gekozen onderzoekmethode, –opzet en resultaten staan. De pretentie van sommige wetenschappers dat ‘gewone’ HBO-ers geen deugdelijk onderzoek kunnen leveren, wijzen wij volledig af.

Daarnaast heeft het NOS-journaal, dat een item aan het onderzoek wijdde, in reactie op de kritiek laten weten dat ze het onderzoek van tevoren heeft laten toetsen door een wetenschapper van de TU Twente, die oordeelde dat het degelijk in elkaar stak. Je hoeft het niet eens te zijn met de conclusie van het onderzoek, maar de procedure is hoe dan ook zorgvuldig en afgewogen geweest.

2. De belangen van de afzender

De Academie is er zowel van beschuldigd een subsidieslurper te zijn als een slim handig bedrijf. We zijn geen van beide. De Academie is een maatschappelijke non-profit instelling, die niet afhankelijk is van subsidie, maar wel zakelijk opereert. In 2008 ontvingen wij een subsidie voor 2 jaar voor internationale samenwerking met betrekking tot onze Nationale Opleiding MediaCoach van het Leonardo da Vinci fonds van de Europese Commissie. Vorig jaar werd ons daarnaast nog een subsidie toegekend voor het project DigiFamilie door Mediawijzer.net, de netwerkorganisatie van de Nederlandse overheid. De overige inkomsten van de Academie komen voort uit marktconform geprijsde diensten zoals lezingen, publicaties, opleidingen en trainingen.  Het onderzoek is geheel gefinancierd uit eigen middelen.

We zijn er ook van beschuldigd “ondernemers in internetangst” te zijn, maar dat zijn we niet. In al onze programma’s komen zowel de voors als tegens van de virtuele wereld aan bod.

Tot slot werd de Academie door een enkeling verweten commercieel belang te hebben bij de inhoud van de rapportage. Ook deze kritiek is onterecht. De Academie heeft, naast het aanbieden van educatieve diensten, de idealistische doelstelling om maatschappelijk bewustzijn te creëren over nieuwe mediaontwikkelingen. Dit onderzoek is, net als onze eerdere onderzoeken, bedoeld als bijdrage aan dat bewustzijn.

Namens de Nationale Academie voor Media en Maatschappij

Liesbeth Hop en Bamber Delver, directie